We beschouwen onszelf als onderdeel van de natuur. Maar zodra we besluiten nemen over hoe we willen leven, bouwen of ondernemen, staat ons eigen belang vrijwel altijd voorop. We vragen wat we nodig hebben, wat we willen bereiken en wat het ons oplevert, en pas daarna kijken we naar wat onze plannen betekenen voor al het andere leven dat er ook nog is.

Dat is zo vanzelfsprekend geworden dat we er nauwelijks bij stilstaan. We hebben onze samenleving ingericht vanuit het idee dat de aarde er in de eerste plaats is om het menselijk bestaan mogelijk en aangenamer te maken. We spreken over natuurlijke hulpbronnen, beschikbare ruimte, grondstoffen en ecosystemen die diensten aan ons leveren. Zelfs wanneer we ons inzetten voor natuurbescherming, gaat het vaak over de waarde van natuur voor de mens: schone lucht, drinkwater, voedselzekerheid, gezondheid en een prettige leefomgeving.

Dat zijn allemaal belangrijke belangen, maar er ontbreekt iets wanneer de waarde van de levende wereld uitsluitend wordt bepaald door wat wij eraan hebben. Een boom heeft niet pas betekenis wanneer hij ons schaduw geeft. Een rivier is niet alleen belangrijk omdat wij er drinkwater uit halen. En een dier heeft niet uitsluitend bestaansrecht omdat het nuttig is voor de mens of omdat wij het mooi, bijzonder of beschermenswaardig vinden. We zijn zo gewend om onszelf als uitgangspunt te nemen dat we nauwelijks meer beseffen hoeveel dat bepaalt van wat we zien, wat we belangrijk vinden en welke keuzes we uiteindelijk maken.

De wereld bekijken vanuit ons eigen belang

Het is begrijpelijk dat we de wereld in eerste instantie vanuit onszelf bekijken. We ervaren het leven nu eenmaal door onze eigen ogen, vanuit ons eigen lichaam en onze eigen behoeften. Wanneer we honger hebben, zoeken we voedsel. Wanneer we bescherming nodig hebben, bouwen we een huis. En wanneer we een probleem tegenkomen, proberen we daar een oplossing voor te vinden. Ergens zijn we die menselijke behoefte om te overleven en een goed leven op te bouwen echter gaan verwarren met het idee dat alles om ons draait.

We hebben niet alleen geleerd om gebruik te maken van de wereld waarin we leven, maar ook om die wereld vrijwel volledig vanuit onze eigen wensen en belangen te organiseren. We bepalen welke planten mogen groeien en welke we onkruid noemen, welke dieren welkom zijn en welke overlast veroorzaken, welke stukken grond productief zijn en welke als ongebruikt worden beschouwd.

Een braakliggend terrein kan in onze ogen een plek zijn waar niets gebeurt, terwijl het voor talloze planten, insecten en vogels juist een waardevolle leefomgeving is. Een oude boom kan voor een projectontwikkelaar vooral een obstakel zijn, terwijl diezelfde boom voor allerlei organismen voedsel, beschutting en nestgelegenheid biedt.

Wat wij zien, hangt dus sterk af van de vraag waarmee we kijken.

Wanneer we uitsluitend vragen wat een plek voor ons kan betekenen, zien we vooral mogelijkheden om die plek te gebruiken. Wanneer we ons ook afvragen wat er al leeft en welke betekenis die plek voor ander leven heeft, verandert ons beeld, en daarmee ook de mogelijkheden die we kunnen bedenken.

Wat als we niet overal de hoofdrol hoeven te spelen?

We zijn gewend om onszelf te zien als degenen die de wereld vormgeven. Wij ontwerpen steden, leggen wegen aan, ontwikkelen technologie, verbouwen voedsel en bedenken oplossingen voor problemen. Dat vermogen om te creëren en te veranderen is indrukwekkend en heeft ons ontzettend veel gebracht. Toch zijn we niet de enige kracht die de wereld vormgeeft.

Rivieren verplaatsen sediment en veranderen landschappen. Bomen beïnvloeden de temperatuur en de waterhuishouding van hun omgeving. Schimmels en bacteriën spelen een belangrijke rol in de kringloop van voedingsstoffen, en dieren verspreiden zaden, bestuiven planten en beïnvloeden de ontwikkeling van ecosystemen. Het leven is voortdurend bezig zichzelf te organiseren, te veranderen en nieuwe mogelijkheden te creëren, zonder dat wij daar de leiding over hebben.

Toch gedragen we ons vaak alsof een landschap pas echt betekenis krijgt wanneer wij er een bestemming aan geven. We spreken over het ontwikkelen van gebieden, het benutten van ruimte en het verbeteren van natuur, alsof alles wacht op onze plannen. Natuurlijk kunnen menselijke ingrepen waardevol zijn. We kunnen beschadigde ecosystemen helpen herstellen, soorten beschermen en omstandigheden creëren waarin leven zich opnieuw kan ontwikkelen. Daarvoor moeten we wel begrijpen dat wij niet de enigen zijn die iets tot stand brengen.

Soms vraagt een plek niet om nog meer menselijke inrichting, maar juist om minder bemoeienis: om ruimte voor natuurlijke processen, voor onverwachte ontwikkelingen en voor leven dat zich niet volledig laat plannen. Dat vraagt iets wat ons niet altijd gemakkelijk afgaat, namelijk erkennen dat niet alles onze sturing nodig heeft.

De vraag verandert, en daarmee de beslissing

Stel dat een gemeente een nieuw park wil aanleggen. De gebruikelijke vragen gaan over de inrichting: waar komen de wandelpaden, hoeveel speelruimte is er nodig, waar plaatsen we bankjes en hoe zorgen we dat het park aantrekkelijk en veilig is voor bezoekers? Dat zijn logische vragen, want een park is tenslotte ook een plek waar mensen willen wandelen, spelen en elkaar ontmoeten.

Stel nu dat de gemeente daarnaast vanaf het begin onderzoekt welk leven er al aanwezig is en welke omstandigheden nodig zijn om dat leven te behouden of te versterken. Welke bomen en planten staan er, welke vogels broeden er en welke insecten vinden er voedsel? Hoe beweegt het water zich door het gebied en wat heeft de bodem nodig? Dan ontstaat er een ander gesprek. Het kan blijken dat een deel van het terrein juist waardevol is doordat het niet intensief wordt onderhouden, dat een bepaalde boom belangrijker is dan de plek die men voor een terras had bedacht, of dat een natuurlijkere waterloop meer oplevert dan een strak aangelegde vijver.

Het ontwerp wordt daardoor niet automatisch minder geschikt voor mensen. Het kan juist interessanter, levendiger en aantrekkelijker worden, omdat er rekening wordt gehouden met de eigenschappen van de plek zelf. Hetzelfde geldt voor een tuin, een landbouwbedrijf, een woonwijk of een bedrijventerrein. Wanneer je alleen kijkt naar wat je wilt realiseren, wordt alles wat er al is al snel een randvoorwaarde of een obstakel. Wanneer je begint met aandacht voor de plek en het leven dat daar aanwezig is, ontdek je mogelijkheden die je anders over het hoofd zou zien. Dat is geen romantisch idee over de natuur, maar een andere manier van waarnemen, ontwerpen en besluiten nemen.

Niet alles wat we kunnen, hoeven we ook te doen

Onze technische mogelijkheden zijn enorm gegroeid. We kunnen rivieren verleggen, bergen afgraven, complete landschappen veranderen en vrijwel overal ter wereld grondstoffen winnen. We kunnen voedsel produceren op een schaal die eeuwen geleden ondenkbaar was en steden bouwen waarin miljoenen mensen samenleven. Maar ons vermogen om iets te doen, zegt nog niets over de vraag of het ook verstandig is.

We hebben vooruitgang lange tijd vooral gemeten aan wat we konden realiseren: meer productie, meer snelheid, meer bereik, meer comfort en meer economische groei. Wanneer iets technisch mogelijk en financieel aantrekkelijk was, vormde dat vaak een belangrijke reden om het ook daadwerkelijk te doen, terwijl de gevolgen voor de levende wereld lang niet altijd volledig werden meegewogen. Inmiddels weten we hoeveel schade er kan ontstaan wanneer we natuurlijke systemen behandelen als iets wat eindeloos kan worden aangepast aan onze behoeften. Bodemuitputting, vervuiling, verlies aan biodiversiteit en klimaatverandering laten zien dat onze mogelijkheden niet onbeperkt zijn.

Dat betekent niet dat we moeten stoppen met ontwikkelen of creëren, wel dat we anders moeten gaan nadenken over wat ontwikkeling eigenlijk is. Een nieuwe weg kan de bereikbaarheid verbeteren, maar tegelijkertijd leefgebieden doorsnijden. Een landbouwmethode kan op korte termijn een hoge opbrengst geven, maar op langere termijn de bodemkwaliteit aantasten. Een gebouw kan efficiënt en winstgevend zijn, terwijl de omgeving er warmer en minder leefbaar door wordt. Wie alleen naar het directe menselijke voordeel kijkt, mist een belangrijk deel van de werkelijkheid. De vraag is daarom niet uitsluitend wat we kunnen maken, maar ook wat we met onze plannen mogelijk of juist onmogelijk maken voor het leven om ons heen.

We hoeven niet alles naar onze hand te zetten

Er zit een diepgewortelde overtuiging in onze samenleving dat problemen vooral worden opgelost door meer controle te krijgen. We willen voorspellen, beheersen, organiseren en bijsturen, en op veel gebieden is dat nuttig. Dankzij onze kennis en techniek kunnen we ziekten behandelen, ons beschermen tegen gevaar en allerlei processen verbeteren. De levende wereld is alleen geen machine waarvan we alle onderdelen afzonderlijk kunnen besturen. Een ecosysteem bestaat uit talloze relaties die elkaar beïnvloeden, en wanneer we één onderdeel veranderen, kunnen de gevolgen zich op onverwachte manieren verspreiden. Dat maakt zorgvuldig onderzoek en goed beheer noodzakelijk, maar het betekent ook dat we onze eigen kennis en mogelijkheden niet moeten overschatten.

De Franse filosoof Bruno Latour stelde vragen bij het moderne beeld van de mens als degene die tegenover de natuur staat en haar van buitenaf kan beheersen. Hij liet zien hoezeer ons bestaan verweven is met andere organismen, materialen, technologieën en natuurlijke processen. Dat inzicht heeft een belangrijke consequentie: wanneer wij niet buiten de wereld staan, kunnen we haar ook niet behandelen alsof we er zonder gevolgen mee kunnen experimenteren. We zijn zelf betrokken bij de processen die we proberen te beïnvloeden.

Dat vraagt om een andere houding dan voortdurend meer controle willen krijgen. Het vraagt om aandacht, onderzoek, terughoudendheid waar dat nodig is en de bereidheid om onze plannen aan te passen wanneer de werkelijkheid daarom vraagt. Menselijke kennis is daarbij niet onbetrouwbaar; juist goede kennis laat ons ook zien hoeveel we nog niet weten.

De waarde van iets hoeft niet door ons bepaald te worden

Wanneer we zeggen dat een bos belangrijk is omdat het CO₂ opslaat, water vasthoudt of verkoeling biedt, zeggen we iets wat waar en relevant is. Die functies zijn belangrijk voor het klimaat, de leefomgeving en onze gezondheid, maar daarmee hebben we nog niet alles gezegd over de betekenis van dat bos. Wat gebeurt er wanneer een bos op een bepaalde plek nauwelijks economisch voordeel oplevert, wanneer een dier geen duidelijke functie heeft voor ons voedsel of onze gezondheid, of wanneer een stuk natuur vooral ruimte inneemt die wij voor iets anders zouden willen gebruiken?

Als de waarde van natuur uitsluitend wordt bepaald door haar nut voor mensen, blijft haar bestaansrecht afhankelijk van onze beoordeling. Dat is precies de gedachte die we ter discussie moeten stellen, want waarom zouden wij de maatstaf zijn voor de waarde van al het andere leven? Een dier hoeft niet nuttig te zijn om te mogen bestaan. Een plant hoeft niet bijzonder te zijn om ruimte te verdienen. En een landschap hoeft niet aantrekkelijk te zijn voor toeristen om betekenis te hebben.

Dat betekent niet dat alle levensvormen altijd dezelfde belangen hebben of dat we nooit mogen ingrijpen. In de natuur zelf bestaan ook concurrentie, predatie en voortdurende veranderingen, en als mensen moeten we soms moeilijke afwegingen maken tussen verschillende behoeften en belangen. Het uitgangspunt verandert wel wanneer we erkennen dat ander leven niet eerst zijn waarde voor ons hoeft te bewijzen. Dan is natuurbescherming niet langer uitsluitend een manier om onze eigen toekomst veilig te stellen, maar ook een erkenning dat wij de aarde delen met leven dat er niet voor ons is.

Van overheersen naar samenwerken

Wanneer we onszelf niet langer als middelpunt van het leven beschouwen, betekent dat niet dat we onze invloed moeten ontkennen. Juist omdat we zoveel invloed hebben, dragen we een grote verantwoordelijkheid voor de gevolgen van ons handelen. We kunnen de wereld beschadigen, maar ook bijdragen aan herstel. We kunnen leefgebieden vernietigen, maar ook ruimte maken voor andere soorten. We kunnen landbouw bedrijven op een manier die de bodem uitput, maar ook methoden ontwikkelen die voedselproductie combineren met aandacht voor bodemleven, water en biodiversiteit.

Het verschil zit in de manier waarop we onze eigen rol begrijpen. Wanneer we onszelf als heersers over de natuur beschouwen, proberen we de wereld vooral aan te passen aan onze plannen. Wanneer we onszelf zien als deelnemers aan een groter levend geheel, wordt samenwerking een veel vanzelfsprekender uitgangspunt. Dat vraagt niet dat we onze menselijke behoeften opzijzetten, maar dat we ze in verhouding brengen tot de behoeften van ander leven.

Een boer moet een inkomen kunnen verdienen, maar heeft ook belang bij een gezonde bodem en een landschap dat op langere termijn vruchtbaar blijft. Een gemeente moet woningen bouwen, maar kan daarbij rekening houden met bestaande bomen, waterlopen en leefgebieden. En wie een tuin aanlegt, kan die naar eigen smaak inrichten en tegelijkertijd ruimte maken voor planten en dieren die er voedsel en beschutting vinden. Dat zijn geen spectaculaire veranderingen die in één keer de wereld redden. Het zijn voorbeelden van wat er gebeurt wanneer we onszelf niet meer automatisch als enige belanghebbende beschouwen.

Een andere manier van leven begint bij anders kijken

We hebben de neiging om grote veranderingen vooral te zoeken in nieuwe technologie, betere regels en politieke besluiten, en die zijn hard nodig. De manier waarop we energie produceren, voedsel verbouwen, grondstoffen gebruiken en onze leefomgeving inrichten, kan niet uitsluitend door individuele goede bedoelingen veranderen. Maar achter al die systemen zitten ideeën over wat belangrijk is, wat waarde heeft en welke belangen zwaarder wegen dan andere. Zolang we blijven denken dat de aarde er in de eerste plaats is om onze wensen mogelijk te maken, zullen we bij ieder nieuw probleem opnieuw zoeken naar manieren om de wereld nog efficiënter voor onszelf te gebruiken.

Een andere manier van leven begint daarom ook met de bereidheid om ons uitgangspunt te veranderen: niet steeds als eerste vragen wat een plek, een dier, een plant of een landschap voor ons kan betekenen, maar onderzoeken wat daar al bestaat en hoe wij ons daartoe kunnen verhouden. Dat vraagt nieuwsgierigheid. Het vraagt dat we kijken voordat we ingrijpen, luisteren voordat we besluiten en bereid zijn onze plannen bij te stellen wanneer blijkt dat er meer belangen meespelen dan we aanvankelijk zagen. En het vraagt dat we onze eigen plaats op aarde opnieuw leren begrijpen.

We zijn een bijzondere soort, met een enorm vermogen om te denken, te creëren en de wereld te veranderen, maar dat maakt ons niet tot het middelpunt waaromheen al het andere leven draait. We zijn één van de vele levensvormen die deze aarde bewonen; alleen beschikken wij over een uitzonderlijk grote invloed op de omstandigheden waaronder ook andere soorten moeten leven. Wat we met die invloed doen, is een keuze. We kunnen blijven handelen alsof de aarde in de eerste plaats van ons is, of we kunnen onze kennis, creativiteit en mogelijkheden gebruiken om een wereld vorm te geven waarin ook ander leven ruimte heeft. En dat is uiteindelijk waar het om gaat: niet minder mens worden, maar anders mens zijn.

 

Dit artikel hebben we geschreven, geïnspireerd door het gedachtegoed van de Franse filosoof Bruno Latour. Hier lees je meer over hem en ontdek je de andere artikelen uit deze serie.

Ook vind je er een overzicht van inspirerende initiatieven die deze ideeën in de praktijk brengen en waar je zelf op verschillende manieren aan kunt bijdragen.

Deel en inspireer anderen