Er zit iets merkwaardigs in de manier waarop wij mensen over de natuur praten. We gaan de natuur in, zoeken haar op en zeggen na een wandeling door het bos dat het heerlijk was om er even helemaal uit te zijn. Maar waar waren we dan eigenlijk uit? De stad, de drukte, de wereld die we zelf hebben ingericht?
Uit de natuur stappen kunnen we in elk geval niet, want we zijn er zelf onderdeel van. Ons lichaam bestaat uit dezelfde elementen als de aarde, we ademen zuurstof in die mede door levende organismen wordt geproduceerd en we dragen een complete wereld van micro-organismen met ons mee. Toch spreken we over de natuur alsof zij zich buiten ons bevindt: iets waar we naartoe gaan, waar we van genieten en waarover wij de beslissingen nemen.
Wie heeft ons de zeggenschap gegeven?
De Franse filosoof en socioloog Bruno Latour (1947–2022) onderzocht hoe mensen, wetenschap, technologie en andere onderdelen van de wereld met elkaar verweven zijn. Hij zette vraagtekens bij de vanzelfsprekendheid waarmee wij onszelf als afzonderlijke, zelfstandige wezens beschouwen, alsof wij de wereld besturen en de natuur het decor is waarin ons leven zich afspeelt.
Kijk maar eens naar de manier waarop we onze leefomgeving inrichten. We bepalen waar bossen mogen blijven staan en waar ze verdwijnen, hoe rivieren moeten lopen en hoeveel ruimte dieren en planten overhouden. We noemen dat ruimtelijke ordening, gebiedsontwikkeling of natuurbeheer. Natuurlijk hebben we huizen, voedsel en wegen nodig, maar onder al die beslissingen ligt een aanname die we zelden bespreken: dat wij het recht hebben om te bepalen wat er met de aarde gebeurt.
Bij zulke plannen spreken bewoners, ondernemers, boeren, overheden en deskundigen met elkaar. Er worden economische belangen afgewogen, regels opgesteld en gevolgen berekend. Het belang van de rivier zelf, van de bodem, de bomen en de dieren die er leven, komt in dat gesprek nauwelijks voor. Zij zijn afhankelijk van onze beslissingen, maar hebben geen plaats aan de vergadertafel. Latour stelde daarom een bijzondere vraag: waarom zou de politiek zich eigenlijk tot mensen moeten beperken?
De natuur is geen decor
In het moderne westerse denken is een sterke scheiding ontstaan tussen de mens als denkend en handelend wezen en de natuur als iets wat onderzocht, verklaard en beheerst kan worden. Die scheiding heeft ons veel wetenschappelijke kennis gebracht, maar ze bestaat vooral in ons denken.
Neem een boom. We kunnen berekenen hoeveel koolstof hij vastlegt en hoeveel water hij verdampt, maar daarmee kennen we nog niet het hele verhaal. Via zijn wortels is hij verbonden met bodem en schimmels, zijn bladeren bieden voedsel aan insecten en afgevallen bladeren worden door bodemorganismen weer afgebroken. Een boom staat niet op zichzelf; hij bestaat binnen een voortdurend veranderend geheel van relaties.
En wij staan daar evenmin buiten. Ons voedsel, ons water en de lucht die we inademen zijn afhankelijk van processen waarover we maar gedeeltelijk controle hebben. Zelfs ons eigen lichaam functioneert niet zonder andere levensvormen: in onze darmen en op onze huid leven micro-organismen die bijdragen aan onze gezondheid. Wat wij als één afzonderlijk mens beschouwen, blijkt bij nader inzien een ingewikkeld samenspel van leven. Dat maakt de vraag hoe zelfstandig we eigenlijk zijn een stuk minder eenvoudig dan hij lijkt.
De grote vergissing van onze onafhankelijkheid
We hechten veel waarde aan zelfstandigheid. We willen onze eigen keuzes maken, richting geven aan ons leven en ons niet voortdurend laten bepalen door anderen. Daar is niets mis mee, maar we hebben zelfstandigheid gaandeweg verward met afgescheidenheid.
Je kunt zelf bepalen wat je vandaag doet, maar niet besluiten dat je geen zuurstof meer nodig hebt. Je kunt kiezen wat je eet, maar je lichaam kan niet voortaan zonder voedingsstoffen. Ook ons sociale leven bestaat dankzij ontelbare anderen die voedsel verbouwen, huizen bouwen, kennis doorgeven en voor elkaar zorgen. Zelfstandig kunnen handelen betekent dus nog niet dat we onafhankelijk bestaan.
Wat als de natuur zelf een stem zou krijgen?
Latour ontwikkelde het idee van een parlement der dingen: een politieke werkelijkheid waarin niet alleen mensen, maar ook de belangen en invloed van niet-menselijke levensvormen en natuurlijke systemen serieus worden meegenomen. Een rivier kan natuurlijk niet letterlijk spreken en een boom heeft geen politieke mening, maar een rivier reageert wel degelijk op wat wij doen. Als we haar loop veranderen, beïnvloeden we waterstromen, sedimentafzetting en de leefgebieden van planten en dieren. Metingen, wetenschappelijk onderzoek en de kennis van mensen die in het gebied leven, kunnen helpen om die gevolgen zichtbaar te maken en de belangen van het ecosysteem te vertegenwoordigen.
Dat levert niet altijd één helder antwoord op. Wat gunstig is voor een bepaalde vissoort, kan ongunstig zijn voor andere soorten, en wat goed is voor een natuurgebied kan botsen met menselijke veiligheid of bestaanszekerheid. Juist daarom moeten die belangen zichtbaar worden. Wie uitsluitend kijkt vanuit de eigen plannen, krijgt sommige vragen niet eens op tafel.
Een andere manier van besluiten nemen
Stel dat we ergens een bedrijventerrein willen aanleggen. Gewoonlijk onderzoeken we de benodigde ruimte, de economische voordelen, de infrastructuur en de wettelijke natuurbescherming. Je kunt ook eerst vragen wat hier allemaal leeft, welke relaties er bestaan tussen bodem, water, planten, dieren en mensen, en wat er gebeurt als we die relaties verstoren. Dan ontstaat er een andere manier van plannen maken. Mensen mogen daarbij nog steeds ruimte innemen, maar een wereld die we als bezit beschouwen vraagt iets anders van ons dan een wereld waaraan we deelnemen.
In Nederland wordt hiermee geëxperimenteerd via het Zoöp-model. Organisaties die zo werken, betrekken een onafhankelijke Spreker voor de Levenden bij hun besluitvorming. Die brengt de belangen van niet-menselijk leven onder de aandacht en helpt onderzoeken hoe de organisatie beter kan bijdragen aan de ecosystemen waarvan ze onderdeel is. De natuur wordt zo niet alleen een onderwerp van toetsing achteraf, maar krijgt een plaats in het gesprek waarin plannen ontstaan.
We hoeven niet alles te beheersen
Wij mensen zijn buitengewoon goed geworden in ingrijpen. We veranderen landschappen, beïnvloeden waterstromen en creëren omstandigheden die aansluiten bij onze wensen. Dat heeft veel mogelijk gemaakt, maar ons ook gewend gemaakt aan het idee dat wij voortdurend moeten bepalen hoe de wereld zich ontwikkelt. Zelfs natuur beschermen betekent in onze taal vaak beheren, herstellen, onderhouden en bijsturen.
Soms is dat nodig, juist omdat we eerder zoveel hebben veranderd. Maar natuurlijke processen kunnen zich ook herstellen wanneer we ruimte maken: een rivier die weer mag meanderen, een bos waarin dood hout blijft liggen, een landschap waar begrazing en andere ecologische processen hun werk doen. Dat betekent niet dat de natuur altijd haar gang kan gaan zonder rekening te houden met mensen. Het betekent wel dat we ons kunnen afvragen of alles door ons ontworpen moet worden, en of we kunnen verdragen dat de werkelijkheid zich niet altijd volgens onze plannen ontwikkelt.
De waarde van het leven
We drukken de waarde van natuur vaak uit in wat zij ons oplevert. Bossen slaan koolstof op, bomen zorgen voor verkoeling, insecten bestuiven gewassen en natuurgebieden zijn goed voor onze gezondheid. Dat is allemaal belangrijk, maar het blijft een manier van kijken waarin de natuur vooral waardevol is vanwege haar nut voor mensen.
Heeft een boom alleen waarde als hij schaduw geeft? Mag een dier er ook zijn als het ons niets oplevert? Die vragen gaan verder dan de natuur alleen. Ze raken ook aan de manier waarop we naar mensen kijken die niet productief zijn of niet voldoen aan maatschappelijke verwachtingen. Onze verhouding met de natuur hangt zo samen met een veel grotere vraag: wat vinden we waardevol, en waarom?
Wat verandert er als we onszelf anders gaan zien?
De belangrijkste vraag is wellicht niet hoe we beter voor de natuur kunnen zorgen, maar hoe we onszelf begrijpen. Zolang we onszelf zien als afzonderlijke wezens die tegenover de wereld staan, blijven we vragen hoe we die wereld kunnen gebruiken, beheersen of beschermen. Wanneer we beseffen dat we er middenin leven en er voortdurend door worden beïnvloed, verandert ook de betekenis van verantwoordelijkheid. Die komt dan niet alleen voort uit regels of schuldgevoel, maar uit het besef dat onze keuzes gevolgen hebben voor een geheel waarvan we zelf onderdeel zijn.
Dat besef kan heel gewoon beginnen: in je tuin zien hoeveel leven er ontstaat als je een stukje grond met rust laat, ontdekken wat er in een handvol aarde leeft, of langs een rivier lopen en beseffen dat het water deel uitmaakt van een systeem dat veel verder reikt dan wat je kunt zien. We hoeven niet voortdurend iets bijzonders te ervaren om te begrijpen hoe bijzonder het gewone leven is. Wat we vooral nodig hebben, is een andere blik.
We zijn niet de enigen die hier leven
Er leven miljoenen soorten op aarde, allemaal met eigen behoeften en eigen relaties met de wereld. Wij zijn één van die soorten, met bijzondere vermogens om na te denken, gevolgen te onderzoeken en bewuste keuzes te maken. Die vermogens maken ons nog niet vanzelfsprekend tot eigenaar van al het andere leven. Eerder geven ze ons een grotere verantwoordelijkheid.
We zullen niet altijd weten wat de juiste keuze is, en belangen zullen blijven botsen. Maar we kunnen wel stoppen met vanzelfsprekend aannemen dat onze belangen altijd vooropstaan. De aarde is niet pas van betekenis geworden toen wij besloten wat we ermee wilden doen.
Dit artikel hebben we geschreven, geïnspireerd door het gedachtegoed van de Franse filosoof Bruno Latour. Hier lees je meer over hem en ontdek je de andere artikelen uit deze serie.
Ook vind je er een overzicht van inspirerende initiatieven die deze ideeën in de praktijk brengen en waar je zelf op verschillende manieren aan kunt bijdragen.
